Deze bundel van de Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) bevat een drietal novellen die stammen uit een bijzonder vruchtbare periode van zijn œuvre, de late jaren ’20 van de vorige eeuw. Een Raskolnikov roept Dostojevski in gedachten. Een jongeman zonder een duidelijk doel in zijn leven zit met zijn vriendin in een café en stoot een glas om, wat tot een woordenwisseling leidt. Vervolgens wordt hij aangeklampt door een opdringerige vreemdeling die een moord opbiecht, een gebeurtenis die de hoofdpersoon op zijn beurt aan het denken zet over de rol van misdaad en straf in zijn eigen leven. Alexandre Aftalion is het verhaal van een emigrant, die (net als Bove’s vader, die in Rusland was geboren) zijn geboorteland in Oost-Europa heeft verlaten en na omzwervingen in Parijs belandt, waar hij zich in de maatschappij probeert omhoog te werken en een vrouw ontmoet. Het verhaal verschuift vlak voor het einde op een bijzondere manier van perspectief en loopt uit in een voor Bove kenmerkende pijnlijke mineur. In De terugkeer van het kind, ondanks zijn bescheiden omvang een hoogtepunt in het œuvre van Bove, reist een jongeman per trein terug naar zijn ouder lijk huis, dat hij vijf jaar eerder heeft verlaten nadat hij geld had gestolen. Hij heeft zijn kamer in Parijs opgezegd en alle banden daar verbroken, en komt na zijn reis aan op een station waar niemand op hem wacht. De tocht naar het huis van zijn jeugd is indrukwekkend beschreven met Boves typerende ‘gevoel voor het tre^ende detail’, zoals Samuel Beckett dat omscheef. In alle drie de verhalen staat een typisch ‘Boviaanse’ antiheld centraal, een wat verloren, eenzame jongeman in wie iets gist. Net als in zijn grote romans spreekt een grote verfijning uit de weergave van een zekere treurigheid van de condition humaine