Lev Nikolajewitsj Tolstoj (1828-1910) heeft zich de laatste dertig jaar van zijn leven, behalve voor geweldloosheid, ook ingezet voor een betere maatschappij en daarmee voor een betere wereld. Hij heeft er destijds vooruitstrevende boeken over geschreven en aangezien in de wereld nog steeds mensen op allerlei wijzen worden uitgebuit heeft zijn gedachtegoed ook vandaag nog betekenis, ondanks het feit dat na ruim een eeuw de wereld sterk veranderd is. Die boeken zijn verboden geweest in Rusland vanwege zijn kritiek op Kerk en Staat en hier en daar ook in de rest van de wereld, vandaar dat zijn ideeën vrijwel onbekend is gebleven.
Het fundament van zijn denken berust op de ‘gulden regel’ die in de meeste religies is aan te treffen: ‘behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden.’ In de Bergrede wordt deze leefregel door Christus als de samenvatting van het Oude Testament (de wet en de profeten) beschouwd. Deze gedachte komt in al zijn boeken terug en met bijzondere nadruk in dit boek over Moderne Slavernij.
Aanleiding voor Tolstoj waren de arbeidsomstandigheden rond 1900. De slavernij was in Rusland weliswaar in 1864 afgeschaft, maar mensonterende uitbuiting van arbeiders door de rijke grootgrondbezitters en industriëlen bleef gewoon bestaan. Tolstoj gaat op zoek naar oorzaken en komt tot de conclusie dat Kerk en Staat samen die onrechtmatige maatschappelijk orde bepalen.
Door wetten, die door en voor rijken zijn gemaakt, en gesteund door de vervalste leer van de Kerk, die zegt dat het lot van de mens door God wordt bepaald, blijft de kloof tussen arm en rijk in stand. Tolstoj legt ook een stuk verantwoordelijkheid bij de arbeiders zelf, die zich als slaaf in fabrieken hebben laten verkopen om ook van de twijfelachtige vruchten van de welvaart te kunnen meeprofiteren.