Normaal sloeg Das de voordeur niet dicht als er dieren aanklopten. Maar deze was te stralend van streep, te opgeklopt van staart. En dan die glibbergrijns en de manier waarop hij zijn poot uitstak alsof hij al zó lang met Das had willen kennismaken ...
Das moest er niets van hebben. Hij sloeg de deur dicht voordat die snoeshaan zich iets in het hoofd kon halen. 'Niets. Nodig,' zei hij door het sleutelgat.