Een vrouw aan zee staat op uit de branding en verandert de wereld. De doodzieke Derek Jarman legt aan de barre kust een tuin aan. Een helderziend meisje rijdt ons rond door haar oorlogshel. En telkens vragen we de wolven ons te hoeden.
Nauwgezet kiest Jacob Groot zijn intimi. De natuur wordt bijvoorbeeld een beroemde geliefde genoemd. Maar deze ontferming is jong en vraagt na de zondvloed om een nieuw soort adoratie. Beurtelings oproep en manifest, getuigenis en revelatie zoekt deze poëzie de nog ontbrekende woorden. Zinnelijk is de toon, opstandig het betoog, lumineus de grondslag.
‘De poëzie van Jacob Groot biedt hoop. Hoe slecht wij de ander ook verstaan, hoezeer wij ons ook van elkaar verwijderd hebben, wij zijn met elkaar verbonden, wij vormen met ons allen één grote steen die uit elkaar is gespat; in ons allen galmt de oerknal na!’ Meander