Soms begint een boek niet met een verhaal, maar met een ademhaling. In deze bundel bewegen korte gedichten en beeldrijke prozateksten langs de rafelranden van het bestaan: tussen mist en herinnering, tussen verlangen en loslaten, tussen wat gezegd wordt en wat zich juist in stilte toont. De taal is sober waar ze moet zijn, en weids waar ze mag uitwaaieren; telkens keert ze terug naar dezelfde kern: aanwezigheid.
De teksten lijken te ontstaan op drempels. In februari’s grijze stilzwijgen, in het uur waarin een huis wacht op voetstappen die niet meer komen, in een stad waar vandaag iets verschoven is en niemand precies weet wat. De lezer wordt meegenomen naar plekken waar grenzen niet getekend zijn, waar tijd oplost tot een trage golf over zand, en waar zelfs de kleinste beweging, een hand die rust, een deur die onverwacht opengaat, een ademhaling die dieper reikt of een verandering kan zijn.
Dit is geen boek dat antwoorden uitdeelt. Het vraagt alleen aandacht: voor het ongeschreven verhaal, voor het breekbare, voor wat ondergronds blijft stromen wanneer woorden rusten in een kast.