De doodvermoeide Dietrich Diebitsch heeft na jarenlang jennen en jeremiëren alle hoop jegens de homo sapiens laten varen. Laat dus eveneens varen alle hoop, gij die zijn wereld van weeën binnentreedt. "Alle groten dezer wereld zijn in hun diepste wezen eenzamen geweest," zo schreef Christinus Kops. Evenals Dante Alighieri is Dietrich Diebitsch van het rechtvaardige pad afgedwaald, ook al bevindt hij zich twaalf maal twaalf maanden van het halve Bijbelse levensjaar, ook al heeft hij zijn vereenzaming niet te danken aan Karel van Valois of Bonifatius VIII, wel aan diens eigen infantiele en infernale incompetentie. Woelend doezelend, pijnigend peinzend, op rust belust, vraatzuchtig om wraak vragend, hebberig en opschepperig, ach en wee uitsprekend over de wereld, eenieders menslievende verwensingen verwerpend, vel verwondend en ziel bezerend, vervliegend liegend, zo daalt de eenzaat der verraad af in zijn verwaandheid. Aan het einde van de ellende-episodes volgt een essay van deze Einzelgänger inzake enigma's, een bloemlezing van zijn ongepubliceerde prutswerk.